zaterdag 22 februari 2014

Samengevoegde vragen van Peter Logghe (VB), Daphné Dumery (N-VA) en Bercy Slegers (CD&V) aan de minister van Binnenlandse Zaken Joëlle Milquet (CDH) over 'de mensensmokkel in West-Vlaanderen' en 'het gebruik van steeds meer geweld bij mensensmokkelaars tegen politie.' (KAMER, 29/01/14)

Hooggras

Het meisje is acht jaar en ze komt uit Iran. Ze wil niet op de foto. Niemand hier wil op de foto. Ze zijn ongeveer met vijftig. Mannen allemaal, behalve het meisje en haar moeder. Ze zijn hier in Grande-Synthe, vlakbij Duinkerken, aangespoeld en ze zouden graag in Engeland geraken. Ze weten nog niet dat ze ook daar vanop vrachtwagens door de Britse regering zullen worden aangemaand om naar huis te gaan. Of naar de gevangenis.
Het meisje ontwaakt ook deze ochtend, terwijl u dit leest, met haar moeder tussen 11 mannen in een hok van spaanplaat, 2 meter bij 3. Rondom het hok zijn aarde en gras herschapen in een modderbad. Een kind moet spelen en leren. Dit kind kent alleen verveling. En het nooit aflatende gevoel opgejaagd te zijn.
Maar spoelen we eerst even terug naar de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 29 januari 2014. Daar suste minister Milquet de bezorgdheid van enkele politici over de toenemende overlast die 'illegalen' (in het parlementair verslag staat dit woord nooit tussen aanhalingstekens) veroorzaken langsheen West-Vlaamse wegen. Een politionele actie van 13 op 14 januari op het grondgebied van de gerechtelijke arrondissementen Brugge en Veurne heeft soelaas gebracht. 103 Belgische en 32 Franse agenten hebben '22 personen in illegaal verblijf en 5 verdachten van mensensmokkel geïntercepteerd'.
'Iedereen moet natuurlijk heel erg tevreden zijn met zo'n grote operatie', zei Milquet.
Ook, zei de minister, had ze met de boeren in de omtrek van het parkeerterrein in Westkerke (Oudenburg) de afspraak gemaakt 'dat zij geen hoge gewassen meer zouden telen'. En rond de parking werden inmiddels een 'nieuwe hogere afsluiting, betere openbare verlichting en bewakingscamera's' geplaatst.
We stappen op een ochtend af in Westkerke. De hogere afsluiting is op drie plaatsen doorgeknipt. Achter een elektriciteitscabine, de enige plek die wat beschutting biedt tegen de wind, liggen achtergelaten kleren. Dat de passage recent was, merken we aan een verse mensenstront.
We stappen het veldwegje langsheen de E40 af naar de dichtstbijzijnde boerderij. Boer Justin schrikt niet van de deurbel. 'We zijn het hier gewoon. Ze bellen aan, mijn vrouw geeft ze een boterham en daarna nemen ze in het dorp de bus naar Oostende.'
Justin weet van de vraag om geen hoge gewassen meer te telen. De politiecommissaris is het komen vertellen. Bedremmeld, want ook hij weet dat je niet van de ene op de andere dag hoog door laag gewas vervangt. 'En wat denkt de minister dat onze dieren gaan eten als maïs niet meer mag?'
Maar wat doen die vreemdelingen hier, zo diep landinwaarts? Vanwaar komen ze?
We zoeken en vinden het antwoord twee dagen later in Noord-Frankrijk, in Duinkerken in het kantoortje van Cécile Bossy, coördinatrice van Dokters van de Wereld.
Eind 2002 sloot Nicolas Sarkozy het vluchtelingenkamp van Sangatte bij Calais. Sinds die dag hebben de vluchtelingen zich verspreid over een vijftal plekken in Noord-Frankrijk waar ze in tenten en uit spaanplaat opgetrokken hutjes overleven. 'Nu en dan valt de politie binnen', zegt Cécile. 'Ze pikken er iemand uit. Ze brengen ze naar Calais. Daar worden ze soms weer gewoon op straat gezet en keren ze langs de pechstrook van de autostrade de 35 kilometer terug naar Duinkerken. Onlangs is er een jongen van 17 doodgereden.'
Omdat er langsheen de Franse autostrade naar Calais geen doorkomen meer aan is, worden er af en toe groepjes over de Belgische grens gesmokkeld. Zo komen ze dus terecht in Westkerke.
We gaan een kijkje nemen in de jungle van Grande-Synthe. Twee keer per week komt er een dokter van Dokters van de Wereld langs met een ambulance. Achter elk hoestje zit vooral de behoefte aan een praatje. Er is niet alleen de verveling, er zijn ook de depressies.
We moeten maar niet te veel vragen willen stellen. Vanwaar ze komen? Hoelang ze over hun tocht hebben gedaan? Sommigen zijn te voet van Afghanistan gekomen: zes maanden. Hoe ze hier zijn geraakt? Met wie? Wat het hen heeft gekost? Enkele duizenden euro's, hun hele hebben en houden.
Niet alleen de taal is een barrière. We leven op andere planeten. En dat we Belgen zijn, doet ook geen goed. 'Belges? No good. Hurt.'
Is het in Frankrijk beter? Daar hebben enkele burgemeesters zich recent toch verenigd in een vzw die verzet biedt tegen de jacht op illegalen.
Het is beter dat we gaan. Ze zijn onze vragen en het oog van de fotograaf moe. Het wordt zelfs een beetje grimmig. We vernemen dat de passeurs ten allen tijde meeluisteren.
'Ze voelen zich bekeken als aapjes', zegt Cécile. Ze verstaan noch begrijpen onze excuses. Dat begrijpen wij wel.
Weet ù hoe het voelt om dag in dag uit van 's morgens tot 's avonds te moeten buigen voor het leven? Zij hebben het al zo vaak moeten doen. Voor diegenen die ze ontvluchtten. Voor diegenen die hen in busjes, containers, gammele schuitjes naar hier brachten. Voor flikken en ambtenaren. Voor buurtbewoners die hun taal niet spreken, maar dat dondert niet want ook zonder abc verstaat zelfs een meisje van acht dat ze ongenood is.
Buigen? Dat doen ze na maanden ontheemding enkel nog voor hooggras. Maar wat doe je, ten slotte, als ook de grond onder je voeten is weggemaaid?
's Avonds lees ik in een warm bad de nieuwe poëziebundel van Geert Buelens: Thuis. 'Een paar dozijn zou nog kunnen/ maar toch geen honderden, elke dag opnieuw.// We zullen worden gezien als luxepaarden,/ als kamelen zonder baat.// De tegenstand wordt al georganiseerd/ maar wij zetten door, iets anders hebben we nooit geleerd.'
Filip Rogiers
Foto Filip Claus

Dit stuk verscheen samen met de foto van Filip Claus in dSWeekblad op 22/02/14 als aflevering 4 in de rubriek "Brood&Boter. Alledaagse verhalen achter parlementaire vragen".